srimad bhagavatam canto 2 - nederlands

of 35 /35
Kṛṣṇa Dvaipāyana Vyāsadeva ŚRĪMAD BHĀGAVATAM (Bhāgavata Purāṇa) Het Verhaal van de Fortuinlijke Canto 2 Vertaald door Anand Aadhar Derde herziene editie 06-10-2017

Author: krishna-dvaipayana-vyasadeva

Post on 23-Mar-2016

245 views

Category:

Documents


8 download

Embed Size (px)

DESCRIPTION

Bhagavata Purana. Het verhaal van de Fortuinlijke. Klassiek verhalenboek van de Vedische cultuur draaiend om het leven van Krishna. Het is de Hindoebijbel die hoort bij de Vishnu purana's en is geschreven door Krishna Dvaipayana Vyasadeva. Canto 2: De Kosmische Manifestatie - De Heer in het hart: Brahmâ mediteert op zijn oorsprong

TRANSCRIPT

  • Ka Dvaipyana Vysadeva

    RMAD BHGAVATAM(Bhgavata Purna)

    Het Verhaal van de Fortuinlijke

    Canto 2Vertaald door Anand Aadhar

    Derde herziene editie 2012

  • CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

    Introductie -------------------------------------------------------------------------------------1 De Eerste Stap in de Godrealisatie ---------------------------------------------------2 De Heer in het Hart ----------------------------------------------------------------------3 Zuivere Toegewijde Dienst - De Verandering in het Hart----------------------------4 Het Proces van de Schepping ------------------------------------------------------------5 De Oorzaak aller Oorzaken ---------------------------------------------------------6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd ------------------------------7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatras ---------------------8 Vragen Gesteld door Koning Parkit -------------------------------------------------9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer ---------------------------------10 Het Bhgavatam is het Antwoord op Alle Vragen ------------------------------------

    3 5 71012141720262831

    2 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

  • Introductie

    Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Kabijbel [in het Sanskriet genaamd samhit] van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gt verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofd-stukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertel-len samen de volledige geschiedenis van de Vedi-sche cultuur en omvatten de essentie van de klas-sieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verza-meld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Ka in zijn ge-heel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke pres-taties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahbhrat oorlog te Kuruketra toe. Deze toonaangevende Purna die ook wel de 'per-fecte Purna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door rla A.C. Bhaktivednta Swami Prabhupda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Viu [de naam voor de boven-zinnelijke gedaante van Heer Ka]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische wes-terlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalis-me en de filosofie van de leegte te overwinnen.

    Voor de vertaling heeft de auteur van deze inter-netversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sstr (van de Gt Press, Gorakhpur), de parampar [geestelijke erfopvol-ging] versie van rla Vivantha Cakravarti hkura en de latere versie van dit boek van de hand van rla A.C. Bhaktivednta Swami

    Prabhupda. De laatstgenoemde vertalers verte-genwoordigen als crya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerd-heid moet worden afgewezen. r Ka Caitanya ook wel Caitanya Mahprabhu genaamd, de avatra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de versprei-ding van de twee belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Ka als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteenge-zet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gt en deze Bhgavata Purna, die ook wel het rmad Bhgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishna-va leraren van het voorbeeld [crya's] hun wijs-heid voor het onderricht aan ontlenen en hun toe-wijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zo-wel binnen als buiten de Hare-Katempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zo-wel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet be-reikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materile bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet ach-terblijven. De versie van Swami Prabhupda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De reste-rende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te con-cateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van

    Canto 2 3

    \

  • het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne erva-ring en digitale vooruitgang van de huidige cultu-rele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is verta-ling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupda's en Sstr's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishna-valijn van crya's (leraren) zowel als van het to-tale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehand-haafd door hun leerlingen. Derhalve moet de au-teur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de wes-terse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupda, le-den van de wereldverzakende orde (sannys's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filo-sofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Kagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremonin van Vaish-nava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vnaprata, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aan-passingen van de filosofie en discipline zijn toe-gewijde dienst doet.

    Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van rla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupda/ISKCON, Vivantha Cakravarti hkura en C.L Goswami. M.A., Sstr en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woor-denboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten

    en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer er-varen lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

    Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiren en te bewer-ken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commercile doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

    Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.

    4 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • Hoofdstuk 1De Eerste Stap in de Godrealisatie(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vsudeva. (1) r uka zei: 'Dit vragen stel-len door u voor het heil van allen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd zijn en blind voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en seks bedrij-ven gedurende de nacht en met het verwerven van inkomsten en het verzorgen van hun gezin over-dag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze ondanks hun ervaring niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die re-den o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die als de Superziel en de Hoogste Persoonlijkheid de heer-sende en overwinnende Heer is die hen die verlan-gens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nryaa [Ka als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn over het algemeen de wijzen die de sfeer van voorschriften en beper-kingen hebben overstegen o Koning, die er beha-gen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

    (8) Deze geschiedenis genaamd het Bhgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvpara-tijdperk [de yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder lei-ding van mijn vader Dvaipyana Vysa. (9) Volle-dig gerealiseerd als ik was in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak [van de Heer] o

    heilige Koning, en dus bestudeerde ik de vertel-ling. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die respectvol er hun volle aandacht aan schenken zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [in Ka als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die vrij zijn van materile verlangens als voor hen die begeren, alsook voor allen die vrij van angst en twijfel zijn in hun innerlijk verenigd zijn [de yogi's] o Koning, vormt, in navolging van de tra-ditie, het steeds weer zingen van de Heer Zijn hei-lige naam de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men wel-bewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khavnga zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgen-heid van de Heer. (14) O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen moet men zich bevrij-den van de angst voor de dood door, met behulp van het wapen der onthechting, te kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft. (16) Nadat men zijn thuis in vrome zelfbe-heersing op weg naar een heilige plaats verlaten heeft, behoort men overeenkomstig de reglemen-ten naar behoren gereinigd en gezuiverd, in afzon-dering in de goede houding plaats te nemen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktiseren van de drie heilige letters [A-U-M]. Aldus het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] niet vergetend, realiseert men zich door het reguleren van zijn ademhaling de beheersing [die uitgaat] van het Allerhoogste. (18) Als men voor het heil van de deugd zich con-centreert in meditatie, keert de geest zich af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden. Dit gebeurt omdat de intelligentie die is opgegaan in vruchtdragende handelingen geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Met het daarna, zonder het geheel uit het oog te verliezen, richten van de geest op de verschillende onderde-

    Canto 2 5

    \

  • len en verdelingen [van het lichaam alsook van de logica], moet men er dan ook voor zorgen dat men aan niets anders denkt dan die toevlucht [die wordt gevormd door de voeten] van de Allerhoogste Heer Viu u die de geest tot rust brengt. (20) Vanwege de hartstocht en traagheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat weer goed komt in de concen-tratie van hen die de vrede vonden die aan al het verkeerde een einde maakt. (21) Zij die gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis de vereniging zoeken en vasthouden aan deze toewijding zullen spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dat goedkeurt.'

    (22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van op welke plaats en met welke soort activiteiten een persoon zich moet bezighouden en mee moet blij-

    ven doorgaan, om zich zonder omwegen te kunnen ontdoen van een onzuivere geest?'(23) r uka zei: 'Als men beheerst neerzit, zijn adem onder controle heeft, de gehechtheid over-wonnen heeft en de zinnen heeft onderworpen, moet men zijn aandacht richten op de grove mate-rie van de uiterlijke gedaante van de Allerhoogste Heer [de vir-rpa].

    (24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelij-ke materile wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiter-lijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [zie koa's], vormt het idee van het voorwerp van de Universe-le Gedaante van de Purua [de Oorspronkelijke Persoon] die de Allerhoogste Heer is. (26) De la-gere werelden worden door hen die het bestudeer-den herkend als Zijn voetzolen [genaamd Ptla],

    6 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • Rastala worden dan Zijn hielen en tenen ge-noemd, Zijn enkels Mahtala en de kuiten van de gigantische persoon heten de Taltala werelden. (27) De twee knien van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen Mahtala o Koning. De kosmische ruimte houdt men voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere, verlichte werelden vormen Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar. Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satya-loka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van de Allerhoogste zijn de Avin-Kumra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laai-ende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Viu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenk-brauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahm en de andere halfgoden], Zijn verhemelte is de be-stuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de Vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde vormen, dat de kaken Yamarja [de Heer van de dood] zijn, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materile energie [my] is. De materile schep-ping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Be-scheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin staat voor de hunkering, religie vormt Zijn borst en het pad der ongelovigheid wordt gevormd door Zijn rug. Brahm vormt Zijn genitalin, Zijn testikels zijn de Mitr-varuna's [de vrienden], Zijn middel zijn de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdper-ken, de Tijd, is Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materile na-tuur vormt Zijn activiteit. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Be-heerser de wolken zijn o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de

    grondoorzaak van de materile schepping. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat be-kend als de maan. (35) Het materile principe vormt Zijn bewustzijn terwijl Heer iva, zo zegt men, de innerlijke oorzaak is [Zijn ego, Zijn zelf]. Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de vier-voetigen zijn in de streek van Zijn gordel verte-genwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mens-heid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemel-se wezens [de Gandharva's, Vidydhara's en Crana's] vormen Zijn muzikale ritme en de her-innering aan terroriserende soldaten vertegen-woordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [katriya's] als de greep van de Universele Ge-daante, zijn de handelaren [vaiya's] de dijen en de arbeiders [dra's, de donkere of 'ka'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstel-len] middels het brengen van offers.

    (38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze vir-rpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken. Buiten Hem is er in het grof-stoffelijke als zodanig immers niets anders te vin-den. (39) Hij die zich als de Superziel op zoveel manieren laat kennen in alle vormen, ongeveer zoals een dromer die zichzelf [in verschillende situaties] ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. Men moet zich op Hem richten en nergens anders op als men zich niet door gehechtheden verlaagd wil zien.'

    Hoofdstuk 2De Heer in het Hart

    (1) r uka zei: 'Ontstaan uit de Superziel [zoals Heer Brahm] hervindt iemand in het zich bezin-nen [op de Universele Gedaante], door het aldus voldoening vinden [met de Heer] de verloren ge-

    Canto 2 7

    \

  • gane herinnering aan zijn voorgaande bestaan. Daarop kan hij [de individuele ziel] die met een opgehelderde blik de intelligentie vond zijn leven weer opbouwen zoals het voorheen was. (2) Als iemand [echter] de geestelijke klanken aanhangt van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid doet dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], verwijlen in onsamenhan-gende ideen om reden waarvan men zonder ooit de vreugde te vinden rondwaart in illusoire werke-lijkheden - en de verschillende verlangens die er-bij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Om die reden moet een intelligent iemand die zijn aandacht heeft gefixeerd [op de Universele Ge-daante], als hij de perfectie wil bereiken, slechts minimaal, naar gelang de noodzaak zich betrekken

    op benamingen [vormen en andere materile be-langen] zonder zich er ooit door te laten leiden. Hij behoort van het praktisch inzicht te zijn dat hij zich anders in zou zetten voor [niets dan] zware arbeid. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men

    met zijn handen kan eten en wat is met de be-schutting van bomen nu het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan hen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die ge-heel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oor-zaak van de materile gebondenheid. (7) Wie an-ders dan de materialisten zouden met het verwaar-lozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toe-vlucht nemen tot het niet-permanente van materi-le aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misre van de terugslag der baatzuchtige arbeid, zich als geval-len zien in de rivier van het lijden?

    (8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijk-heid van God daar verblijven ter grootte van twin-tig centimeter met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijd-knots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uit-drukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem, bedekt met juwelen en met gouden siera-den ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voe-ten bevinden zich op het bloemhart van de lotus-harten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn ge-laat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zege-ningen van deze bijzondere bovenzinnelijke ge-daante van de Heer waarop men zich behoort te

    8 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13) Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te medi-teren, van de voeten af aan, totdat men het glim-lachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materile en bovenzinnelijke we-relden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

    (15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven o Koning, behoort men als wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intel-ligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goed-heid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materile verandering of oorzake-lijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het wen-sen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotus-voeten van de Heer in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van de wetenschap van het terwille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [na-vel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van

    de schedel] en aldus de materile inertie te boven komen. (20) De mediterende moet de zwevende kracht geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strotte-hoofd. Dit moet hij intelligent uitzoeken in medi-tatie. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener die van verzaking is om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de uitgang van de zeven centra het domein van het hoofd binnen te gaan om een poos ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot daar stand te houden terwille van het onvermoeibare en eeuwige.

    (22) Als men er echter een verlangen op nahoudt o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men het verlangt de wereld van de guna's [de geaard-heden der natuur] te bestieren met behulp van de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of per-fecties], dan moet men onvermijdelijk ook reke-nen met de geest en de zinnen die daarbij komen kijken. (23) Men beweert over de weg gevolgd door de grote transcendentalisten dat ze, vertrek-kend vanuit het bereik van het subtiele lichaam, zich binnen en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, terwijl zij die hun werk doen op basis van materile motieven nimmer de vooruitgang bereiken die is weggelegd voor hen die in de ver-zaking van hun toegewijde dienst verzonken zijn in de yoga.

    (24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur [Vaivnara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men via het gracieuze verloop [de suumn, het kanaal van het in evenwicht brengen] van de ademhaling, als men de hemel-bewegingen volgt [de cakra-orde], de zuivere geest [Brahmaloka, de plaats van de Schepper] die opheldering verschaft en de onzuiverheden weg-neemt. Dan bereikt men naar boven gericht o Ko-ning, de schijf [de cakra, het wiel] genaamd iumra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Viu] begevend, wordt door het individuele levende wezen dat ge-zuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt die aanbiddenswaardig is voor hen

    Canto 2 9

    \

  • die zich in het bovenzinnelijke bevinden. De zelf-gerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahm]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Viu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijf-plaats [van Brahm] vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen der verheffing, voortbe-staat voor de duur van twee parrdha's [de twee helften van Brahm's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van me-dedogen heeft als men de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misre van de herhaling van geboorte en dood.

    (28) Na het achter zich gelaten hebben van de ge-daanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, reikt men met het op die manier komen tot de stralende at-mosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door ge-luidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit der zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die rea-lisatie van zichzelf die onderhevig is aan veran-dering [het ego]. Bijgevolg vordert hij met het geheel buiten werking stellen van de materile geaardheden in de richting van de werkelijkheid der volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel be-reikt de persoon de vrede, bevrediging en na-tuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materile wereld, mijn beste [Parkit].

    (32) Alles wat ik u beschreven heb o beschermer van de mens, stemt zoals uwe Majesteit dat ver-langde naar behoren overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de eeuwige waar-

    heid zoals die voorheen door de aanbeden Opper-heer Vsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahm die Hem voldoening had geschonken. (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materile universum bestaat er voorzeker geen methode van realisatie die beter is dan de weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vysa-deva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargeno-men in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van ver-schillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zin-gen van en terug te denken aan de Heer die ver-heerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Per-soonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die met het vullen van hun oren met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is van de nectar drinken, zullen hun door het materile plezier verontreinigde geestes-staat gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die bij de lotus staan.'

    Hoofdstuk 3Zuivere Toegewijde Dienst - De Verandering in het Hart

    (1) r ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gege-ven in reactie op de vragen die uw goede zelf stel-de over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Zij die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's [Brihaspati]; Indra, de koning van de hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlan-gen [seks] en de Prajpati's [de krachtige stamva-ders] zijn er voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durg] is er voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materile wereld, de vuurgod is er voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde

    10 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarna-ties van Rudra [Heer iva] zijn er voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbe-den, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vivadeva halfgoden en voor een com-mercieel succes zijn er de Sdhya goden. De Avin's [twee halfgodenbroers] zijn er voor het verlangen om lang te leven, voor een sterk li-chaam wordt moeder aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid wil-len, respecteren de godinnen van de aarde en de hemelen. Schoonheid nastrevend zijn er de hemel-se Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urva's] en iedereen die wil heer-sen over anderen is gebonden aan de aanbidding

    van Brahm, het hoofd van het Uni-versum. Yaja, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Zo ook moeten zij die verlangen om te leren, iva aanbidden, terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Um wordt geerd.

    (8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Viu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun zorg zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen wor-den gezocht door hen die bescher-ming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder gewone verlangens. (9) De goddelij-ke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar men zoekt de demo-nen om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebon-den aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aan-bidden. (10) Of hij nu vrij is van ver-langen, er vol van is of naar bevrij-ding verlangt, iemand die het ruimer

    beziet dient met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen in aanbid-ding van de hoogste zegening in dit leven, door om te gaan met Zijn zuivere toegewijden een niet aflatende spontane aantrekking tot de Allerhoogste Heer. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materile geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke in de transcendentie van het ont-hecht zijn van deze geaardheden de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie die in beslag wordt genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in actie komen door deze aantrekking?"

    Canto 2 11

    \

  • (13) aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heer-ser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vysadeva, de potische wijze? (14) O hooggeleerde Sta, zet voor ons die er zo naar uitzien erover te vernemen deze onderwerpen uiteen. In een gezelschap van toegewijden zijn immers die verhalen welkom die leiden tot de vertellingen over de Heer. (15) Hij, die kleinzoon van de Pava's, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, een groot strijder die als kind al met poppen de activiteiten van Heer Ka naspeelde.(16) En zo moet het - met al die toegewijden daar - ook zo gegaan zijn in de aanwezigheid van de zoon van Vysadeva die, in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vsude-va die door zovelen wordt verheerlijkt, er al de goede kwaliteiten voor had. (17) Met uitzondering van degene die zijn tijd doorbrengt met de onder-werpen betreffende Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, maakt het op- en ondergaan van de zon de levensduur van de mensen alleen maar korter. (18) Leven de bomen ook niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en eten de beesten om ons heen ook niet en planten ze zich ook niet voort? (19) Een persoon wiens oor nimmer de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden bereikte is niet loffe-lijker dan een een hond, een varken, een ezel of een kameel. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Viu, de Ene van de enorme voor-uitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last als dat lichaam nooit neerbuigt voor Mukunda [Ka die bevrijding schenkt], precies zoals han-den, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, gelijk zijn aan die van een lijk, zelfs al zijn ze gesierd met schitterende gouden arm-banden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Viu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit en te nimmer het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en een afstammeling van Manu [een mens] is maar een ademend lijk als hij nooit de

    weelde van het aroma van de tulsblaadjes van de lotusvoeten van Heer Viu heeft geroken. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks dat het verzonken is in het zingen van de Heer zijn naam, niet transformeert met de emoties van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) O Sta Gosvm, u drukt zich uit in gunstige bewoordingen, vertel daarom welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende ukadeva Gosvm desgevraagd de koning die naar de waarheid zocht onthulde."

    Hoofdstuk 4Het Proces van de Schepping(1) Sta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat ukadeva Gosvm aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, con-centreerde de kuise zoon van Uttar [Parkit] zich op Heer Ka. (2) Hij [aldus mediterend] gaf [voor een ogenblik innerlijk] zijn diep gewortelde en constante bezitsdrang op die samenhing met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist en al zijn verwanten en vrienden in zijn onbetwiste koninkrijk. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hier-over navraag zoals u me het nu vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood ver-zaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten over-eenkomstig de drie principes [van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, econo-mische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Aller-hoogste Heer Vsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hooggeleerde; u die zon-der smetten bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwer-pen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energien deze zichtbare wereld van het universum creert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7) En alstu-blieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energien handhaaft en ze weer te-rugtrekt, hoe Hij als de almachtige Hoogste Per-

    12 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • soonlijkheid komt tot Zijn expansies, ze erbij betrekt alsook er zelf bij be-trokken zijnd, ze opvoert alsook ze aanzet tot handelen [zie ook canto 1, hoofdstuk 3]. (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt middels Zijn verschillende incarna-ties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt aan de hand van de geaardheden, tegelijkertijd in de materile energie aanwezig is, danwel zich opeenvolgend mani-festeert in vele gedaanten. (10) Als-tublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aange-zien u, zo goed zijnde als de Opper-heer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de Vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid.' "

    (11) Sta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bo-venzinnelijke eigenschappen van Heer Hkea [Ka als de meester der zinnen] te beschrijven ging uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, methodisch aan de slag.

    (12) r uka zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugtrekken van het volkomen geheel van de materile schep-ping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij Zich vanbinnen ophoudt als de Ene wiens wegen on-doorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbe-tuigingen voor Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die het onware aanhangen, mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent waar zij die van de status zijn van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid naar zoeken [de paramahamsa's]. (14) Laat me

    mijn eerbetuigingen brengen voor die grootse kameraad van de Yadudynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewij-den overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Voor Hem van wie de verheerlijking, de heugenis, het aanschouwen, de gebeden, het luisteren en het eerbetoon alle mensen terstond van de gevolgen van hun zonde bevrijdt, voor Hem over wie men zegt dat Hij ten gunste werkt in alle opzichten, breng ik telkens weer de eerbetuigingen die ik Hem schuldig ben. (16) Zij die helder van geest zijn en die door een-voudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig be-

    Canto 2 13

    \

  • staan volledig opgeven, brengen zonder moeilijk-heden de vooruitgang van het hart en de ziel naar een spiritueel bestaan tot stand; die vermaarde, alles begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen. (17) De grote wijzen, de gro-te helden der liefdadigheid, zij die zich het meest onderscheiden, de grootste denkers, de grote man-trachanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen als die niet aan Hem zijn opgedragen. Hem over wie te vernemen zo iets gunstigs is breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volke-ren van Oud-Bharata [India], Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkaa [een provincie], bhra [deel van oud Sind], umbha [een andere provincie], Turkije, Mongoli en vele anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn raken meteen ge-zuiverd als ze hun toevlucht bij de Heer Zijn toe-gewijden zoeken. Voor Hem, de machtige Heer Viu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten, de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze lite-ratuur en de versobering. Moge die Allerhoogste Heer die de achting geniet van hen die boven alle pretenties verheven zijn - de Ongeboren Ene [Heer Brahm], Heer iva en anderen - mij gunstig ge-zind zijn. (20) Moge Hij, de Allerhoogste Heer en meester van de toegewijden, Hij die de eigenaar is van alle weelde, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde en de num-mer n en bestemming van de [Yadu]koningen van de Stvata's, de Andhaka's en de Vi's, mij genadig zijn. (21) Men beweert dat te denken aan Zijn lotusvoeten en er op ieder ogenblik in ver-zonken zijn, met achting voor de autoriteiten, zui-vert en de eigenlijke kennis verschaft van de uit-eindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden ertoe aanzet Hem naar eigen inzicht te beschrijven. O Mukunda, mijn Opperheer, mo-ge Uw genade altijd met me zijn. (22) Moge Hij die de eerste van de Schepping kracht gaf [Heer Brahm] met heugenis in het hart omtrent Zijn aard en zijn eigen oorsprong, en die [aldus] van het begin af aan de Godin van het Leren inspireer-de die uit Brahm's mond leek te zijn geschapen - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materile

    schepping en al deze lichamen die zijn gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de Purua [de oorspronkelijke persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onder-delen [bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van actie en de vijf zintuigen], moge die Allerhoogste Heer mijn uitlatingen kracht bijzetten. (24) Mijn eerbetuigingen voor hem, de grote expansie van Vsudeva [te weten Vysadeva], die de vergaarder is van de Vedische literatuur van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dron-ken. (25) Het eerste levende wezen [Brahm] mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nrada, vanbinnenuit de Vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "

    Hoofdstuk 5De Oorzaak Aller Oorzaken

    (1) Nrada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen o god der halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke ken-nis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze be-houden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aan-gezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw weten-schappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen der materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachti-ge, ik ken in deze wereld niet n bestaansvorm met een naam en een vorm die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeu-wigdurend, die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u]. (7) Het baart ons zorgen

    14 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwe-tende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een be-grip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

    (9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, je bent zeer vriendelijk in je volmaak-te navraag. Dit inspireert me ertoe nader in te gaan op de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) Mijn zoon, je hebt het bij het rechte eind met wat je zoven zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste boven mij te kennen zal het zeker zo zijn als je beweerde, [namelijk dat er boete moet worden gedaan als je mij voor de Al-lerhoogste aanziet]. (11) Alles van de wereld die ik

    schiep werd geschapen bij de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de ster-ren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigin-gen, Hij de Allerhoogste Heer Vsu-deva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende ma-terile energie, maken zij die verbijs-terd zijn een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woor-den 'ik' en 'mijn'. Met dat woordge-bruik wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie met de Eeuwige Tijd alsook de aan-geboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ze ieder voor zich geen waarde heb-ben. (15) Nryana [Ka als de vierarmige Oorspronkelijke Persoon-lijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers

    zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nryana te kennen, de versobering is er slechts om Nryana te bereiken, de cultuur der tran-scendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nryana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nryana binnen te gaan. (17) Genspireerd door dat wat door Hem de Ziener, de Ziel van Allen, de Heerser over Alle Intelligentie werd geschapen die mij heeft geschapen, schep ook ik.

    (18) Van deze [geaardheden der] goedheid, harts-tocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Al-machtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werden aangenomen, zijn er de drie kwali-teiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Het eeuwig bevrijde, levende

    Canto 2 15

    \

  • wezen dat is onderworpen aan condities van oor-zaak en gevolg is [echter] aangedaan door de ge-aardheden van de materile energie die zich [in zijn leven dan] manifesteren als [respectievelijk] kennis, activiteiten en materile traagheid. (20) Hij, de Opperheer, die als de getuige van de getui-ge [door het levende wezen dat is geketend] aan de symptomen van de drie geaardheden niet kan worden gekend in Zijn bewegingen o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [my] neemt aldus, vanuit Zijn eigen vermogen spontaan in verschillende, verworven [guna]gedaanten ver-schijnend, de werklast [het karma] op Zich zowel als de specifieke aard [of svabhva, van het leven-de wezen]. (22) Door het toezicht van de oor-spronkelijke persoon vond de schepping van de mahat-tattva [de 'grotere werkelijkheid'] plaats, door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit deze specifieke naturen vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Maar door de transformatie van het grotere geheel domineerden de hartstocht en de goedheid in ster-ke mate [in den beginne]. Daarop trad [tegenwicht biedend in reactie] de geaardheid der duisternis sterker naar voren die wordt gekenmerkt door ma-terie, materile kennis en een overwegen van ma-terile activiteiten. (24) Dat omgevormde materi-le ego, zoals gezegd, manifesteerde zich naar de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid, en aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materile evolutie. (25) Uit de vorm der duisternis die transformatie onderging, ontwikkelde zich [als de eerste] van de elementen de ether met haar subtiele vorm en ge-luidskwaliteit die de aanduiding vormen van zo-wel de ziener als het geziene. (26-29) Door om-vorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en

    geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaar-heid, geluid en vorm. Maar door de veelvormig-heid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam het [kosmisch] denken van de goden voort die handelen in goedheid, [overeenkomstig de vijf zintuigen van waarnemen en handelen] gekend als de tien heersers over de windrichtingen [de Digdevat's], de lucht [Vyu], de zon [Srya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de Avin-Kumra's], het vuur [Agni], de hemelen [Indra], de godheid der transcendentie [Viu in de ge-daante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahm]. (31) Vanuit de hartstocht van het ego vond de dieno-vereenkomstige tienvoudige transformatie plaats die de levende energie de intelligentie verschafte van al de zinnen van het handelen - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus - en het waarnemen - het horen, zien, voelen, proeven en ruiken. (32) Zolang deze categorien van de elementen, de zinnen, het denken en de geaardheden der natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o beste in de kennis [Nra-da]. (33) Toen die [elementen] allemaal dankzij de [drijvende] kracht van de Allerhoogste de n na de ander waren samengevoegd en ze hun toepas-sing vonden, vond dit universum met zijn beide ware en illusoire, zijn geestelijke en materile werkelijkheden [sat/asat] zijn bestaan.

    (34) Het universum werd na talloze millennia ver-zonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de indivi-duele ziel [de jva of de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Per-soon [de Purua] kwam uit het ei van het univer-sum tevoorschijn om Zich te verdelen over dui-zenden afdelingen van benen, armen, ogen, mon-den en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum

    16 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • er zijn als de ledematen van een lichaam [de vir-rpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gor-del en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahma-nen vertegenwoordigen de mond van de Oor-spronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn onderbenen. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svar-loka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahm, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld der verza-king [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, ver-lichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knien de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het li-chaam van de Heer [de vir-rpa of Universele Gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] we-relden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvou-dig in drien verdeeld zo] voor dat de aardse, lage-re werelden zich bevinden op de benen, de etheri-sche, middelste werelden zich bevinden in het ge-bied van de navel en dat de hemelse, hogere we-relden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.'

    Hoofdstuk 6De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

    (1) De Schepper zei: 'De mond [van de Universele Gedaante] vindt men in het vuur dat het centrum vormt van de stem van de zeven [metrums der] lofprijzingen [gezongen ter ere van] de essentile ingredinten [de natuurlijke elementen of de lagen van Zijn lichaam. Dhtava, letterlijk: huid, vlees,

    zenuw, merg, been, bloed en vet]. Het met respect offeren van allerlei soorten voedsel en lekkernijen die door menselijke wezens dan worden gewaar-deerd als de nectar [van de overblijfselen] vormt het veld van handelen [voor het heil van] Zijn tong. (2) Voor Zijn neus is er de levensadem en de buitenlucht om de bovenzinnelijke ervaring van een lang leven [de Avin halfgoden] voort te brengen in combinatie met al de medicinale krui-den en geuren die men kan genieten. (3) De ogen [van de grote gedaante] die allerlei vormen waar-nemen alsook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleiden het door de oren horen uit alle richtingen van al de geluiden van het eer-betoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn uiter-lijke verschijning [het aanzien van de Universele Gedaante] vormt het fundament voor alle dingen en gunstige gelegenheden en het veld waar men oogst, terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt die tot allerlei offerandes aanleiding geeft. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken met behulp waarvan in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrok-ken. Daarbij vormen de wolken met hun electrici-teit, de stenen en het ijzererts Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien in de behoeften en het be-schermen van de burgerbevolking. (7) In de Heer Zijn toevluchtverschaffende lotusvoeten herkent men de vooruitgang van de lagere, middelste en hemelse werelden, omdat ze in alle behoeften voorziend met het verschaffen van wat nodig is vrijwaren van vrees en alle zegeningen inhouden. (8) Water, het zaad en het vruchtbare van regens verwijst naar de genitalin van de Schepper, de Heer, of de plek waar het geluk ontspringt dat wordt teweeggebracht door [de noodzaak van] het voortbrengen [van nageslacht of cultuurproduc-ten]. (9) O Nrada, de opening waar de uitschei-ding van de Universele Gedaante plaats vindt vormt de oorsprong van Yama, de godheid die heerst over alles wat op zijn einde loopt en van Mitra. Het vormt het rectum dat herinnert aan af-gunst, ongeluk, de dood en de hel. (10) Frustratie, immoraliteit en onwetendheid ontdekt men aan Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene

    Canto 2 17

    \

  • beweger [de Tijd] van de zeen en oceanen van de tot leven komende en de ook weer in Zijn buik [in de middelste werelden, iva] vernietiging vinden-de wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele li-chaam is gelokaliseerd.

    (12) Het door u, door mij, door mijn zoons [de Kumra's] en door Heer iva behartigen van het dharma hangt af van het leven en de ziel van het Opperwezen [dat de veilige haven vormt] van waarheid en wijsheid. (13-16) Ik, u, Heer [iva], alsook de grote wijzen vr u, de goddelijken, de demonen, de menselijke wezens en de excellenten [de Nga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens, alsmede de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroden, de ster-ren, kometen, planeten en manen en de donder en bliksem; al wat er was, wat er is en zal worden geschapen, dit gehele universum bij elkaar wordt [doordrongen en] omvat door de Oorspronkelijke Persoon in een formaat van niet meer dan zestien centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde ma-

    nier als de zon zijn stralen vanbuiten uitspreidt en al het levende verlicht en [vanbinnen met prna] kracht verschaft, wekt ook de expansie van de Universele Gedaante, de Hoogste Persoonlijk-heid, het bestaande vanbinnen en vanbuiten tot leven. (18) Hij beheerst de onsterfelijkheid en onbevreesdheid en is verheven boven de dood en het vruchtdragend handelen van iedereen en der-halve, o Nrada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid als onmetelijk beschouwd.

    (19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in [slechts] een kwart van het veilige re-servoir van alle volheden waar geen dood of vrees bestaat. Dat reservoir is de Hoogste Persoonlijk-heid die zich voorbij de materile lagen van de drie werelden ophoudt. (20) Het [resterende] drie-kwart deel van Hem in het voorbije vormt de plaats waar zij verblijven die nimmer meer ge-boorte zullen nemen. Binnen [het kwart van de materile wereld] vindt men daarentegen de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] die zijn gere-serveerd voor de statusposities van hen die ge-

    18 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • hecht aan het gezinsleven zich niet strikt houden aan de gelofte van het celibaat. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten be-kend zijn, en is aldus, als de Oorspronkelijke Per-soonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Hij uit wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstonden, samen met de elementen en de zinnen overeenkomstig de mate-rile kwaliteiten van het universum, is in de over-treffende trap van die Universele Gedaante te ver-gelijken met de zon [die] in verhouding tot de stra-len en hitte die hij verspreidt [er altijd los van staat].

    (23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem ont-springend aan de navel van deze grote persoon, had ik naast de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niets om offers mee te brengen. (24) Om offers te brengen is dat wat men offert, zoals bloemen en groen met brandbaar ma-teriaal [zoals stro], nodig tezamen met een altaar alsook een raamwerk van de tijd [een kalender b.v.] om de geaardheden van de natuur te kunnen volgen. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [ge-klaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de ge-schriften ['Rig, Yajur en Sma Veda'] en [ten min-ste] vier [voorgaande] personen zijn hiermee ge-moeid, o godvruchtige. (26) Ook het aanroepen van heilige namen en mantra's alsook het ontvan-gen van bijdragen en afleggen van geloften betref-fende de specifieke godheid in kwestie spelen een rol. Daarbij is er voor het doel van ieder van deze zaken afzonderlijk een speciaal geschrift. (27) Om middels aanbidding te kunnen vorderen in de rich-ting van het uiteindelijke doel en om van compen-satie [vrijwaring, correctie en excuus] te kunnen zijn met de uiteindelijke offers die werden ge-bracht voor de diverse delen van het [bestuurlijke] lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de ver-tegenwoordigende halfgoden], voorzag ik in de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, gebruikmakend van al die benodigdheden, de expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Al-lerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) En dienovereenkom-stig praktiseerden uw [gods-]broeders, de negen

    meesters der levende wezens [de negen scholen; de halfgoden naast Brahm; vergelijk 5: 30], met gepast ritueel ter wille van de geziene en ongezie-ne persoonlijkheden. (30) In navolging [van die scholen of halfgoden] waren ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd van aan-bidding om Hem te behagen, en zo deden dat ook de andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, tegenstanders [Daitya's] en de mensheid als ge-heel.

    (31) Al deze hoogst machtige manifestaties, die de materile illusie van het hebben van een ge-daante hadden aanvaard in de sferen van het uni-versum, vonden terwille van Nryana, de Per-soonlijkheid van God, hun bestaan in de werke-lijkheid van schepping, behoud en vernietiging, alhoewel Hij aan zichzelf genoeg heeft in Zijn transcendentie. (32) Naar Zijn wil schep ik ter-wijl onder Zijn beschikking iva vernietigt. Hij-zelf treedt daarbij op als de Oorspronkelijke Per-soon en beheerser van de drie energien die het hele universum behoudt.

    (33) Aldus heb ik u op uw verzoek dit alles uitge-legd mijn beste. Waar je ook aan denkt, of het nu een oorzaak of een gevolg is, er is niets dat buiten de Allerhoogste Heer zijn bestaan heeft. (34) O Nrada, deze geestelijke instelling heeft zich steeds als de juiste bewezen omdat ik in mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. Mijn gedachtengang dwaalde er nooit mee af in onwaarheid en mijn zinnen haalden me er niet mee naar beneden in de tijdelijkheid. (35) Ik ben de Vedische wijsheid in eigen persoon, ben vol van verzaking, de aanbiddelijke meester van al de voorvaderen en een zelfgerealiseerde deskundige in de praktijk van de yoga, niettemin slaagde ik er niet in Hem uit wie ik zelf ben voortgekomen te doorgronden. (36) Ik ben [derhalve] de gezegende voeten van de Heer der overgegeven zielen toege-wijd die de herhaling van geboorte en dood stop-pen en zicht op het geluk verschaffen. Net zo min als de hemel zijn eigen begrenzing kan zien kan Hijzelf zich nog niet eens een voorstelling maken van het vermogen van Zijn eigen Persoonlijke energien. En hoe zouden anderen dat dan wel kunnen? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al]

    Canto 2 19

    \

  • Zijn bewegingen kunnen overzien, kan je ook niet verwachten dat andere godsbewusten dat kunnen. Met je intelligentie verbijsterd door de begooche-lende energie van het geschapene heeft men alleen maar zicht zover als het vermogen reikt.

    (38) Wij bieden Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken hoewel personen als wij Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de absolu-te, voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijk-heid schept in ieder millennium in Zichzelf, mid-dels Zichzelf, Zijn eigen transcendentale aanwe-zigheid, handhaaft Zichzelf [voor enige tijd] en neemt [Zichzelf ook weer] op in Zichzelf. (40-41) Zonder een materile smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het Absolute zonder een begin en een einde. Vrij van de natuurlijke geaardheden verkeert Hij in een positie waarin Zijns gelijke nooit en te nimmer te vinden is. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen als hun zinnen zijn behartigd en hun zelf tot vrede is gebracht, anders zal dit in-zicht zeker verdraaid zijn door onhoudbare argu-menten en uit het oog zijn verloren. (42) De eerste avatra van de Heer, is de Oorspronkelijke Per-soon: [Mahviu of Kranodakay Viu. Hij vormt de basis van] de ruimtetijd [kla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, ef-fect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het volkomen geheel van al het be-wegende en niet bewegende van het universele wezen [genaamd Garbhodakay Viu].

    (43-45) Ikzelf [Brahm], de Vernietiger en de Handhaver; al de vaderen van de levende wezens zoals Daka [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumra's]; de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden; de aanvoerders van de hemelbewoners [van de Ghandarva, Vidydhara en Crana werelden] als-ook de leiders van de demonen [de Yaka's, Rkasa's en Uraga's] en de onderwereld; de eer-sten onder de wijzen, de voorvaderen, de athes-ten, de speciale talenten, de onbeschaafden en ook de doden; de boze geesten, de Jinn en Kmna's [andere boze geesten] met inbegrip van de grote

    waterdieren, beesten en vogels - met andere woor-den alles en iedereen die in de wereld in een be-paalde mate machtig is of van een specifieke men-tale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht is, bestaat alsof hij zelf de [opperste] gedaante van [het representeren van] Zijn bovenzinnelijke wer-kelijkheid zou zijn, maar in feite vormt ieder van hen slechts een onderdeel. (46) O Nrada, heb nu waardering voor de toewijding voor het spel en vermaak van al die incarnaties van de Oorspronke-lijke Hoogste Persoonlijkheid. Die toewijding zal de trage materie doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je deze verhalen, die stuk voor stuk een genoegen zijn om naar te luiste-ren, de n na de ander vertellen zoals ze zich in mijn hart bevinden.'

    Hoofdstuk 7Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatras

    (1) De Schepper zei: 'Toen de Heer als de Onbe-grensde in het universum voor Zijn spel en ver-maak de vorm aannam van het totaal van alle of-fers [als de everzwijn-avatra Varha], was Hij in die gedaante van plan de aarde op te heffen uit de [Garbhodaka] oceaan. In de oceaan verscheen toen de eerste demon [genaamd Hiranyka, de demon van het goud] die door Hem, als een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand.

    (2) Uit kti ['goede bedoeling'], de vrouw van Prajpati Ruci, werd Suyaja ['gepast offer'] gebo-ren die met zijn vrouw Dakin ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht die werden aange-voerd door Suyama ['juiste regulatie']. Met hen drong Hij in beduidende mate het leed van de we-reld terug om reden waarvan de vader van de mensheid Svyambhuva Manu hem de nieuwe naam Hari [de Heer] gaf.

    (3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van

    20 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • de Schepper'], uit de schoot van Devahti ['de aan-roeping der Goden'] samen met zes zusters. Als Heer Kapila ['de analytische'] sprak Hij met Zijn moeder over spirituele zelfverwerkelijking, waardoor zij in dat leven verlost werd van de materile geaardheden die de ziel overdekken en bereikte ze de bevrijding.

    (4) Tevreden over de overgave van de wijze Atri die bad voor nageslacht, zei de Heer hem: 'Ik zal je Mij geven!' en om die reden kreeg Hij de naam Datta [Datttreya, 'hij die geschonken werd']. Het stof van Zijn lotusvoeten leidde tot de zuivering van het mystiek lichaam en bracht de rijkdom van de geestelijke en materile werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstamme-ling] en anderen.

    (5) Omdat ik in het verleden sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-kumra, Sanaka, Sanandana en Santana]. In het tijdperk daarvoor werd de spirituele waarheid verwoest toen de wereld in het water verzonk, maar met deze wijzen die een heldere visie op de ziel had-den werd de kennis volledig in ere hersteld.

    (6) Uit Mrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daka['de capabele', een Prajpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nryana ['de mens, de

    vooruitgang van de mens']. De Opperheer aldus [nedergedaald] stond het op basis van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn per-soonlijke boetedoeningen nimmer toe dat Zijn ge-loften werden gebroken door de hemelse schoon-heden die Hem met Cupido [de god van de liefde] benaderden. (7) Grote voorvechters [als Heer iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Maar met [de twee van] Hem van-binnen aanwezig, is de lust te bang om naar voren te treden. Hoe kan met Hem voor de geest nu ooit de lust de aandacht opeisen?

    (8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen van een bijvrouw die ondanks de aanwezigheid van de koning [Uttnapda] werden geuit, nam zijn zoon Dhruva ['de onverzettelijke'], toen hij nog maar een jongen was, zijn toevlucht tot stren-ge boetedoeningen in een groot woud. De Heer door zijn bidden behaagd bevestigde het doel van zijn realisatie [Dhruva loka, de spil der sterren] waarvoor de grote wijzen en de bewoners van de hemel naar boven en naar beneden gericht sedert-dien bidden.

    (9) Toen de tweemaal geborenen koning Vena ['de bezorgde'] vervloekten die afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een bliksemin-slag waarbij hij met al zijn grote daden en weelde in de hel belandde. Nadat er voor Hem was gebe-

    Canto 2 21

    \

  • den werd hij bevrijd door de Heer die naar de aar-de kwam als zijn zoon [genaamd Pthu, 'de grote'] en bracht daarbij tevens tot stand dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.

    (10) Als de zoon van Koning Nbhi ['de spil'] werd Hij geboren als abha ['de beste'] uit Sudev. Evenwichtig in de aangelegenheid der yoga leek Hij dwaas terwijl Hij presteerde op het hoogste niveau der wijzen waarop men met het aanvaarden van de spirituele essentie - de onafhankelijkheid - de activiteit van de zinnen heeft onderworpen en volmaakt bevrijd is van materile invloeden.

    (11) De Allerhoogste Heer, de ziel van al de goden, de Persoonlijkheid van het Offer die in alle offers wordt aanbeden, verscheen in een offerande van mij met een hoofd als dat van een paard en een gouden glans [en wordt aldus Hayagrva genoemd]. Door Zijn ademen door Zijn neusgaten kan men de geluiden van de Vedische hymnen horen.

    (12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk Heer Matsya ['de vis'] die als het be-houd voor de aarde een toevlucht vormde voor alle levende wezens [in de vorm van een boot tijdens de zondvloed]. De Veda's die vanwege de grote angst voor het water voortkwamen uit mijn mond werden toen door Hem opgepikt die daar Zijn sport bedreef.

    (13) Toen in de oceaan van melk [ofwel de ken-nis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, de 'grote berg'] aan het karnen waren voor het win-nen van de nectar, ondersteunde de voorwereld-lijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma], zodat het over Zijn rug schuurde en jeukte.

    (14) Als Nsimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degene die de angst van de godsbewusten wegnam met het fronsen van Zijn wenkbrauwen en de schrikwekkende tanden van Zijn mond, terwijl Hij zonder pardon op Zijn schoot met Zijn nagels de

    gevallen koning van de demonen [Hiranyakaipu] doorboorde die Hem had uitgedaagd met een strijdknots in zijn handen. (15) De leider der olifanten [Gajendra] die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzon-derlijk sterke krokodil, riep Hem, terwijl hij een lotus vasthield, in grote nood op de volgende wij-ze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijk-heid en Heer van het Universum. Uit U die be-roemd bent als een pelgrimsoord komt al het goe-de voort als men alleen maar Uw naam hoort, de naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde kliefde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], de bek van de krokodil in tween met Zijn cakrawapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.

    (17) Hoewel Hij, de grootste in bovenzinnelijke kwaliteiten, [de jongste was van] al de zonen van Aditi ['de oneindige'], overtrof Hij [hen allen] door in dit universum al de werelden te omspannen en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd. Bedelend voorwendend slechts be-hoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij zo als Heer Vmana al het land [van Bali Mahrja] in bezit zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten onder wiens gezag men nimmer zijn bezit mag verliezen. (18) O Nrada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahrja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit, zelfs niet als dat ten koste ging van zijn lichaam, aan iets anders vast te houden dan aan wat hij had beloofd omdat hij besloten had zich aan de Heer te wijden.

    (19) De Opperheer tevreden over de goedheid die je ontwikkelde middels je bovenzinnelijke liefde o Nrada, gaf heel vriendelijk gedetailleerd uitleg over het licht van de kennis van de yoga en de we-tenschap van het zich verhouden tot de ziel, wat allen die zich hebben overgegeven aan Vsudeva zo volmaakt weten te waarderen.

    (20) Bij de glorie van Zijn persoonlijke kracht on-derwerpt Hij onversaagd onder alle omstandighe-

    22 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • den de drie systemen [zie loka] in al de tien wind-richtingen als Hij in de verschillende Manutijd-perken [manvantara's] incarneert als een nakome-ling van de Manudynastie. Heersend over de on-verlaten en de koningen van die aard met behulp van Zijn cakrawapen, vestigt Hij aldus Zijn roem tot in de wereld der waarheid [Satyaloka] *.

    (21) Onder de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalt de Opperheer neer in het universum als de roem in eigen persoon om stu-ring te geven aan de kennis die men nodig heeft om een lang leven te verwerven. Hij doet dit mid-dels het verschaffen van de nectar die voortkomt uit het [Kurma karn-]offer en snel de ziekten van alle levende wezens geneest.

    (22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te dringen zal de grote ziel [Heer Paraurma], de Opperste Geeste-lijke Waarheid in eigen persoon, al die doorns uit de wereld helpen die waren afgedwaald van het pad en solliciteren naar een hels bestaan. Hij han-teert voor dat doel ontzagwekkend machtig eenen-twintig keer Zijn bovenzinnelijke bijl.

    (23) Bij machte van Zijn grondeloze, allesomvat-tende genade, daalt de Heer Aller Tijden [als Rma] neer in de familie van Ikvku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn

    vader [Daaratha] Hij het woud in zal trekken met Zijn vrouw [St] en broer [Lakmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demo-nische heerser Rvana] die groot leed veroorzaak-te. (24) Voor Hem zal de angstige Indische oceaan snel baan maken, als ze ziet dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbranden, waarna Hij, vertoornd als Hij is over Zijn bedroef-de vriendin [de ontvoerde St], van een afstand met bloedrode ogen zal mediteren op de stad van de vijand [op het eiland Lank] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Als de slurf van de olifant die Indra draagt breekt op de borst van Rvana straalt er licht in alle richtingen. Rvana zal dan van vreugde heen en weer paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren zal aan dat lachen en de levensadem van hem die St ont-voerde een einde komen door het zingen van de boog [van Rma].

    (26) Als de hele wereld in staat van ellende ver-keert vanwege de last van de soldaten der ongelo-vigen, zal Hij [Ka], met Zijn Volkomen Aspect [Balarma], Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, Hij wiens pad van glorieuze daden zo moeilijk te herkennen is voor mensen in het algemeen, onher-roepelijk verschijnen voor het heil van de decime-ring van die athesten. (27) Wie anders dan Hij zal

    Canto 2 23

    \

  • in God's naam als een kind nog maar, een levend wezen kunnen doden dat de vorm van een giganti-sche demone heeft aangenomen [Ptan], of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen alsook twee hoog op-rijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vndvana [waar Ka zal opgroeien] zal Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven wekken die hadden gedron-ken van het vergiftigde water [van de Yamun]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtige gif zal Hij er in de rivier beha-gen in scheppen de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhoudt met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden zal al de be-woners van Vraja [het koeiendorp] die diezelfde nacht zorgeloos liggen te slapen redden van ver-branding door het vuur dat laait in het droge woud. Op die manier zal Hij hen die er zeker van waren dat het met hun leven was afgelopen, samen met Balarma overtuigen van Zijn ondoorgrondelijke vermogen door ze simpelweg hun ogen te laten sluiten [en hen zo op dezelfde manier redden als Hij later de gopa's redt uit een andere bosbrand]. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-]moeder [Yaod] ook zal proberen om haar zoon mee vast te binden, telkens zal het dan weer te kort blijken te zijn. En dat wat ze zal zien als Hij Zijn mond opendoet voor de twijfelende koeherdersvrouw [die naar aarde zoekt die Hij gegeten zou hebben] zijn al de werelden, hetgeen iets is dat haar op een andere manier zal overtuigen. (31) Nanda Mahrja Zijn [pleeg-]vader die Hij eveneens zal redden - van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] - en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] als-mede zij die [wonend in Vndvana] overdag hard werken en 's nachts slapen, zal Hij allen belonen met de hoogste wereld van de geestelijke hemel [Brahmaloka of Vaikuha]. (32) Als de koeher-ders er [door Ka] van worden weerhouden om hun offers voor de koning van de hemel te bren-gen, zal Indra een zware regenval veroorzaken. Hij [Ka], dan nog maar zeven jaar oud, wil dan de dieren beschermen en zal in Zijn grondeloze genade zeven dagen lang met enkel n hand de heuvel Govardhana speels omhoog houden alsof [het een paraplu is], zonder dat Hij er moe van wordt. (33) Als Hij in Zijn nachtelijke avonturen

    in het bos het verlangt om bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, zal Hij de liefdesverlangens opwekken van de vrouwen van Vrajabhmi en hun ontvoerder [ankhaca] onthoofden die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaar-der]. (34-35) [Demonische] types als Pralamba, Dhenuka, Baka, Ke, Aria, Cnra en Muika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalaypda [de olifant], Kamsa [de demonische oom], vele konin-gen uit den vreemde [zoals die van Perzi], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen als lva, Naraksura, Balvala, Dantavakra, Saptoka, ambara, Vidratha en Rukm en een ieder die machtig en goed bewapend is zoals Kmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhtarra], Srijaya, en Kekaya, zullen dankzij Hem van het toneel verdwijnen en Zijn hemelse woning berei-ken, danwel dankzij een van de andere namen die bij Hem horen zoals Baladeva [Ka's broer], Arjuna of Bhma.

    (36) Geboren uit Satyavat zal Hij [als Vysadeva] na de nodige tijd inzien wat voor moeite de minder intelligente en maar kort le-vende mensen hebben met de al te ingewikkelde en toegespitste Vedische literatuur. Aangepast aan het tijdperk zal Hij dan de gehele verzame-ling van deze wensboom van de Veda's in ver-schillende takken onderverdelen.

    (37) Voor hen die op de weg der scholing zeer goed onderlegd raakten maar jaloers zijn op het goddelijke en de werelden en de ether ongezien doorkruisen met uitvindingen van Maya [ofwel met moderne technologie], zal Hij zich heel aan-lokkelijk vertonen en [als de Boeddha en zijn ver-tegenwoordigers] in van de traditie afwijkende termen uitvoerig spreken over hun destructieve verstandsverbijstering.

    (38) Als er zelfs onder de beschaafde heren geen sprake meer is van de Heer en de tweemaal gebo-renen [de hogere klasse] en de regering bestaande uit leden van de arbeidersklasse zelf nooit of te nimmer met Zijn lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoog-ste Heer [Kalki], de bestraffer, verschijnen.

    24 rmad Bhgavatam - Het Verhaal van de Fortuinlijke

    \

  • (39) In den beginne was er de boete met mij en de negen wijzen die alles voortbrachten, in de mid-denperiode is er het actieve van het dharma met Viu, Manu, de halfgoden en de koningen in hun leefwerelden en op het eind is er het goddeloze met iva en de kwaaie athesten en dergelijken. Het zijn allemaal machtige vertegenwoordigers van de begoochelende energie van de Ene der Al-macht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Viu omschrijven? Nog niet de weten-schapper die wellicht de atomen geteld heeft. In n grote beweging wist Hij [als Trivikrama] met Zijn been moeiteloos het universum te bestrijken tot in de neutrale staat van de natuurlijke geaard-heden voorbij aan de hoogste wereld. (41) Noch ik, noch al de wijzen die vr u werden geboren zijn in staat het bereik van de Almachtige Oor-spronkelijke Persoon te overzien. En wat kan men dan verwachten van anderen die na ons geboren werden? Zelfs Ananta S'ea [het 'slangenbed' van Viu] de eerste incarnatie van de voorwereldlijke God met de duizend gezichten kan tot op de dag van vandaag met het bezingen van de kwaliteiten Zijn grens niet bereiken. (42) Alleen zij aan wie de Heer Zijn genade verleent zijn in staat de oneindi-ge oceaan der materie over te steken. Dat zijn die beschermde zielen van wie het zoeken van Zijn toevlucht inhield dat ze zich zonder terughou-dendheid ondubbelhartig overgaven aan Zijn voe-ten, ofwel dat ze bewust Zijn diverse energien niet als het hunne beschouwden met inbegrip van dat van hen [hun lichaam] dat bedoeld is te wor-den gegeten door jakhalzen en honden. (43-45) O Nrada, weet dat we beiden behoren tot het verstandsverbijsterende spel van illusie van de Allerhoogste Ene, en dat geldt ook voor de grote Heer iva, Prahlda Mahrja ['de vreug-devolle'] van de athestenfamilie, atarp, de vrouw van Manu en Svyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prcnabarhi, bhu, Anga [de vader van Vena], alsook Dhruva, Ikvku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gdhi, Raghu, Ambara, Sagara, Gaya, Nhua, en anderen als Mndht, Alarka, atadhanu, Anu, Rantideva, Bhma, Bali, Amrttaraya, Dilpa, Saubhari, Utanka, ibi, Devala, Pippalda, Srasvata, Uddhava, Parara, Bhriena en kampioenen als Vibhana, Hanumn,

    ukadeva Gosvm, Arjuna, riena, Vidura en rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook zij die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen - op voorwaarde dat ze de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden naleven - de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, zelfs als ze voorheen zondig leefden. En als het zelfs dieren lukt die door mensen werden afge-traind, hoeveel te meer zou dat dan niet opgaan voor mensen die over Hem vernamen? (47) Het Absolute van de Geest [Brahman] staat bekend als onbegrensd geluk dat vrij is van leed. Het is de uiteindelijke positie van de Hoogste Persoonlijk-heid van God voor wie de illusie wegvlucht in schaamte. Die zuivere, onbevlekte staat vrij van onderscheidingen gaat de woorden te boven die horen bij het materieel motief van vruchtdragende handelingen, het vormt het oorspronkelijk beginsel van de Superziel, de oorzaak van alle oorzaak en gevolg, het is bewustzijn vrij van angst en het on-verstoorde tegendeel van het geheel van de mate-rie [zie ook B.G. 2: 52]. (48) In die staat van vol-ledige onafhankelijkheid komt er een einde aan de diverse praktijken van de mystici die in het proces van hun geestelijke cultuur de perfectie nastre-ven, zoals Indra [de god van de regens] ook geen waterput hoeft te graven. (49) De Opperheer is de ene meester van alle goedheid omdat Hij het suc-ces brengt van [de spirituele realisatie met] al het goede werk dat door het levende wezen werd verricht overeenkomstig zijn natuurlijke aard. Nadat het werk is volbracht lost het lichaam weer op in de samenstellende elementen, maar net zo-als de ether nimmer verloren gaat gaat ook de geestelijke ziel van de persoon nimmer verloren [zie ook B.G. 2: 24].

    (50) Mijn beste, aldus zette ik in het kort uiteen hoe de Allerhoogste Heer het universum heeft ge-schapen. Wat er ook moge bestaan in het fenome-nale [materile] of noumenale [geestelijke] kan niet van enige andere oorzaak zijn dan Hari, de Heer. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke ge-naamd het rmad Bhgavatam, werd aan mij doorgegeven door Hem, de Allerhoogste Heer en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermo-gens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52)

    Canto 2 25

    \

  • Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] voor de Allerhoogste Persoon-lijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de Heer Zijn uiterlijke aangelegenheden zal het levende wezen dat met regelmaat er aandacht aan besteed en er toegewijd waardering voor opbrengt nooit door de materile illusie begoocheld raken.'

    *: Bij vers twintig verandert de tijd van Brahm's toespraak van verleden tijd in de te-genwoordige tijd en vandaar af aan in de toe-komende tijd vanaf vers tweentwintig. Hieruit kan worden afgeleid dat Vysadeva dit gesprek projecteerde in de periode van de Avatra Kurma toen Dhanvantari verscheen.

    Hoofdstuk 8Vragen Gesteld door Koning Parkit

    (1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nrada, die was genstrueerd door Heer Brahm o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg?(2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermo-gens en wiens vertellingen